4. Ruimtelijke normen en waarden

Hoe geven we natuur en landschap een steviger plek in de woningbouw?

Dat er de komende jaren flink wat woningen bij moeten komen staat buiten kijf, en dat deze deels in het landelijk gebied terecht zullen komen is onvermijdelijk. Verschillende woningbouwplannen passeerden in 2020 weer de revue in de ARO. Ecoloog Sjef Jansen en landschapsarchitect Pieter Veen, nieuw in de commissie, vragen zich af hoe natuur en landschap een steviger plek kunnen krijgen in de woningbouw. De besproken plannen voor Bloesemgaerde Noord en Molenblik in de gemeente Medemblik geven aanleiding voor een gesprek over harde normen en zachte waarden. Die zijn essentieel om ruimtelijke kwaliteit te waarborgen. Maar hoe verhouden ze zich tot elkaar?

“Waarom niet het plangebied iets ruimer begrenzen en de aanleg van ecologische en recreatieve verbindingen, stadsboerderijen, voedselbossen en goed ingepaste zonnevelden meenemen in de ontwikkeling?”

Sjef: Nog steeds worden nieuwbouwwijken gemaakt volgens een soort standaardformule, met een mix van rijtjes, halfvrijstaand en vrijstaand en een redelijk traditionele verkaveling en wel wat groen en water. Natuurlijk niet te veel groen en water, want dat kost woningen. Allemaal begrijpelijk, want de klant wil het zo en er moet ook nog wat verdiend worden. Er wordt zodoende al gauw de nog net acceptabele ondergrens opgezocht. Aangezien er geen harde cijfers zijn, komt de initiatiefnemer meestal wel weg met niet te veel groen.

Nu zijn er wel degelijk reproduceerbare cijfers over de mate van groen in een gemeente en wijk. Zo staat Medemblik op plaats 225 van de ranglijst van gemeenten wat betreft groen in de bebouwde kom. Het kan nog slechter, zoals bij Velsen (bijna onderaan de lijst met plaats 388 van de 389 gescoorde gemeentes), maar ook veel beter. Bekijken we alleen de bebouwde kom van Medemblik dan worden de cijfers nog slechter. Een en ander is uitgerekend met groenindexen voor alle bebouwde kommen van Nederland met scores van 0,3 tot 0,6. De bebouwde kom van Medemblik scoort daarbij een schamele 0,383. Wognum doet het beter met 0,487. Ik ben wel een voorstander van dit soort cijfers. Het rekenwerk aan de hand van satellietbeelden is van Gerbert Roerink van Alterra. Ik vind dat dergelijk cijfers voortaan bij elke nieuwbouwwijk horen te zitten en minstens bijvoorbeeld een norm van 0,5 moeten halen (mag ook een andere index zijn).

“Als we niet met dit soort normen gaan werken zal er altijd een gevecht worden gevoerd over een onsje meer of minder.”

Pieter: Als ontwerper heb ik wel mijn twijfels bij dit soort normen. De grens is altijd wat arbitrair, maar vooral zijn ze geen waarborg voor een goed plan. Of de bebouwde kom van Wognum mooier is dan die van Medemblik zou ik niet durven zeggen. Ook bij nieuwbouw kan het soms beter zijn om te kiezen voor compacte bouw, met weinig groen, en soms wil je juist meer groen. Normen hebben ook het gevaar van nivellering in zich. Ik ben meer geïnteresseerd in de ‘zachte waarden’ van het landschap, de wijze waarop nieuwe functies zich verbinden met historische lagen en hoe de geschiedenis van de plek leesbaar blijft, en liever nog hoe je echt onderscheidende kwaliteiten en belevingen kun creëren. Dat gaat soms om heel subtiele dingen: een kavelverdraaiing van de oude ontginning die je terugvindt in de nieuwe stedenbouwkundige structuur. Daar hebben we in Bloesemgaerde Noord extra aandacht voor gevraagd en dat heeft volgens mij een mooie verbetering opgeleverd. In Molenblik, een grotere ontwikkeling, staat landschappelijk meer op het spel: deze locatie lig precies op de grens van de historische kreekruggronden, waar van oudsher de bebouwing gevestigd is, naar een drooggelegd meer, waar vroeger het water begon en alleen de vissers zich waagden. Voor een goede waarnemer is dit verschil nog steeds afleesbaar aan het landschap, maar met de ontwikkeling van Molenblik wordt een eeuwenoude grens overschreden en wordt gebouwd in het vroegere meer. Hoe mooi zou het zijn als je in de nieuwe wijk nog iets van deze geschiedenis zou kunnen ervaren? Bijvoorbeeld door extra ruimte te geven aan het water en door in de stedenbouwkundige structuur het verschil met het ‘oude land’ te benadrukken? Dat had naar mijn smaak nog wel wat sterker gekund. Want de verkaveling lijkt inderdaad wat traditioneel.

Sjef: Als we niet met dit soort normen gaan werken zal er altijd een gevecht worden gevoerd over een onsje meer of minder. Voor waterbergend vermogen in een wijk worden al vaker regels opgesteld. Soms moet het regenwater afgekoppeld zijn van het riool en zijn parkeervakken verplicht half verhard. Ook voor de private ruimtes moeten goede afspraken mogelijk zijn over maximaal percentage verharding.

Nu is Molenblik voor mij als ecoloog interessanter dan Bloesemgaarde. Het contact van het water in de wijk met het boezemwater maakt de wijk aantrekkelijk. Zeker de tweede versie, nadat we als ARO advies hebben gegeven, is een stuk aantrekkelijker gemaakt met bijvoorbeeld een flink aantal natuurvriendelijke oevers. Het opgaand groen is echter bescheiden van omvang en kan met name in het centrale deel beter.

Bloesemgaarde is wat openbaar groen betreft erg minimaal ingericht. Deze wijk zou zeker de vereiste groenindexen niet halen, tenzij er aan de tuinen flinke groeneisen worden gesteld. Deze tuinen zijn namelijk in Bloesemgaarde soms aanzienlijk.

Aan de mate van verstening in tuinen is ook gerekend in noordelijk Gelderland e.o.. Gemeentes die het goed doen zitten onder minder dan 25 % versteend, maar er zijn ook gemeentes waarvan de tuinen meer dan 60% zijn versteend. Dat heeft niet alleen met verstedelijking te maken. Zo scoort de gemeente Dronten een gemiddeld van 64% versteende tuin en scoort Zutphen maar net iets meer dan 30%, terwijl Zutphen toch een oude binnenstad heeft. Volgens de onderzoekers heeft dat te maken dat particulieren uit nieuwbouwwijken veel meer de neiging hebben de tuintjes te betegelen dan bezitters van oude tuinen. Dat belooft niet veel goeds voor deze twee nieuwbouwwijken. (Het onderzoek naar tuinverharding is voor deze regio met wederom satellietbeelden verricht door Cobra Groeninzicht. Dat kan blijkbaar vrij snel ook voor heel Nederland gebeuren.)

Dus als groen, hittestress, fijne woonomgeving hoog op de agenda staat, dan moeten we bij nieuwbouwwijken beter gaan kijken naar dit soort cijfers. Dat scheelt heel wat discussies met betrekking tot het wel of niet groen-zijn van een wijk. Er staat dan eigenlijk een planontwikkelaar twee wegen open om een dergelijke groenindex te halen. Hetzij hij regelt het grotendeels in het openbaar groen en maakt de tuinen wat kleiner, hetzij hij maakt harde afspraken met potentiële kopers over het groenontwerp van de tuinen. Dat laatste is lastig, want dat moet worden gehandhaafd en is misschien juridisch moeilijk, maar het schijnt wel relatief gemakkelijk te meten te zijn.

Pieter: Ik erger me ook aan betegelde tuinen en deze zijn zeker niet bevorderlijk voor de natuur of het zuinig omgaan met water. Denk je niet dat juist een goed ontwerp ertoe kan bijdragen dat bewoners zich meer verantwoordelijk gaan voelen voor het groen, of dat nu openbaar of privégroen is? Duidelijke regels horen daarbij, maar alleen als deze aansluiten bij een door de bewoners herkende en gewaardeerde ‘identiteit’ van de wijk zullen ze ook echt nageleefd worden. Dwang is inderdaad lastig. Ik zie liever initiatieven van bewoners die uit eigen beweging een deel van het openbaar groen in beheer nemen, of mooier nog bestrating weghalen en geveltuinen of stoepgroen maken. Er wordt wel gesproken van ‘anarchistisch groen’. Daar zou het ontwerp ruimte voor moeten bieden of toe moeten uitnodigen. Dat levert veel meer diversiteit en betrokkenheid op. Een actieve communicatie en participatie (weer die ‘zachte waarden’), vind ik minstens zo belangrijk als harde afspraken.

“Dat blijft een creatief en nooit helemaal objectiveerbaar proces, en juist daarin heeft de ARO volgens mij een toegevoegde waarde.”

En wat mij betreft mogen we wat meer kijken naar de omgeving. In de besproken plannen is de grens tussen nieuwbouw en landelijk gebied wel erg hard, terwijl het belang van goede stad-landrelaties toch breed wordt erkend en ook het landelijk gebied niet stilstaat. Waarom niet het plangebied iets ruimer begrenzen en de aanleg van ecologische en recreatieve verbindingen, stadsboerderijen, voedselbossen en goed ingepaste zonnevelden meenemen in de ontwikkeling, of in ieder geval daar de juiste condities voor scheppen? Dat is pas echt een integrale aanpak en hoeft niet veel meer geld te kosten, want er zijn genoeg initiatiefnemers en investeerders. En het verhoogt de waarde van de woningen! Ik wil gemeenten en ontwikkelaars graag uitnodigen om de komende jaren dit soort plannen aan de ARO voor te leggen.

Timing is een ander ding. Wanneer doe je wat? Vaak worden al in een vroeg stadium de begrenzing en het stedenbouwkundig programma vastgelegd (aantallen en typen woningen) en wordt pas daarna gekeken hoe eisen van water, natuur en landschap nog ingepast kunnen worden. En die eisen zijn meestal zachter (niet altijd, maar dan moet het wel gaan om een primaire waterkering, Natura 2000 of Werelderfgoed). Dan kan het zeker helpen om die eisen op voorhand te kwantificeren en als volwaardig onderdeel in het programma op te nemen. Dat schept duidelijkheid en biedt een praktisch toetsingskader in de verschillende fasen van het planproces. Dat is geen waarborg, maar wel een mooi startpunt voor een goed ontwerp. In het beste geval creëren harde normen extra ruimte om ook zachte waarden tot hun recht te laten komen. Dat blijft een creatief en nooit helemaal objectiveerbaar proces, en juist daarin heeft de ARO volgens mij een toegevoegde waarde.

Sjef: Ik weet dat ontwerpers vaak een probleem hebben met al die normen die in het plan moeten worden verwerkt, maar ze kunnen je ook meer armslag geven, zoals een norm voor hoeveelheid water en groen. Ook in een heel ander type plannen, zoals bij Ruimte voor de Rivier, heb ik gezien hoe een duidelijke waterveiligheidsnorm sturend werd voor mooie plannen. Er ontstaat urgentie en dat belemmert de creativiteit zeker niet. Ben je minder duidelijk, zoals ik in rivierplannen ook vaak meemaak, dan hou je tot aan het eind de discussie of het allemaal wel nodig is. Zeker als je iedereen mee laat praten in een gebiedsproces. Het kan toch ook wel een stukje verderop of over tien jaar?

Je pleidooi voor een ruimere begrenzing van het plan, zodat er meer relatie ontstaat tussen wijk en omgeving, kan ik alleen maar van harte ondersteunen. Minimaal zou zo’n overgangszone anders bestemd moeten worden. Dus bijvoorbeeld niet als puur agrarisch gebied, maar ook met ruimte voor andere functies en een subsidievoorziening om landschappelijke waarden toe te voegen. Het wordt heel belangrijk, nu er weer een nieuwe golf woningbouwplannen op ons af lijkt te komen, dat we niet alleen maar wijkjes gaan stempelen, maar breder kijken. Als één ding de Covid-pandemie ons geleerd heeft afgelopen jaar is dat mensen niet alleen willen wonen maar er ook eens even uit willen lopen in een liefst aantrekkelijke en groene omgeving.

Sjef Jansen

Bioloog, landschapsecoloog

lid van de ARO sinds oktober 2020

Eigenaar adviesbureau Planecologie, lid werkgroepen Commissie m.e.r., docent TU-Delft Bouwkunde, gastdocent Academie van Bouwkunde Amsterdam, lid diverse kwaliteitsteams in het rivierengebied, lid Technische Adviescommissie Amsterdam.

Aandachtsgebieden:
Ecologie in als zijn facetten: van praktische veldkennis tot ecologische theorievorming; focus op het landelijk gebied met thans veel aandacht op milieuvraagstukken en natuur (water- en stikstofproblematiek), duurzame energie- en klimaatvraagstukken. Veel projecten met ontwerpers.

Pieter Veen

Landschapsarchitect

lid van de ARO sinds oktober 2020

Eigenaar Circular Landscapes, bestuurslid van Fonds Natuurinclusieve Streekboerderijen en kunststichting The Outsiders, oprichter van Servicenet Nationale Landschappen en Design Lab Agroforestry.

Aandachtsgebieden:
Kringlooplandbouw, agroforestry, biodiversiteit, landgoederen, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, landschapskunst, participatie.
  • Woningbouwontwikkeling Bloesemgaerde Noord, Wognum, gemeente Medemblik
  • Woningbouwontwikkeling Molenblik/Schepenwijk III, nabij Bolzijl en Brakeweg, gemeente Medemblik

Gemeente Medemblik heeft het voornemen om naast de recente woonwijk Bloesemgaerde een nieuwe woonwijk te realiseren met ca. 50 woningen: Bloesemgaerde Noord. De locatie van Bloesemgaerde Noord ligt buiten bestaand stedelijk gebied (BSG), net buiten de kern van Wognum. De gronden waarop de woonwijk is voorzien, hebben in de huidige situatie een agrarische bestemming. Ontwikkeling vindt plaats deels langs het oude lint en deels langs recente nieuwbouw. De stedenbouwkundige structuur is geïnspireerd op het landschap, met zijn karakteristieke verkaveling. In de proefverkaveling komen aan het lint 8 woningen in een stolpvorm, met daarachter 14 woningen in een schuurvorm. Hier wordt ook het grootste deel van het parkeren opgelost. Verder naar achteren komen rijwoningen, vrijstaande woningen en tweekappers.

Planlocatie in Wognum (Bron: Google Maps)

Ontwikkelkader met proefverkaveling (Bron: Gebiedsontwikkeling Bloesemgaerde Wognum; naar een ontwikkelkader, Breen Stedenbouw, oktober 2020)

 

ARO advies (28 oktober 2020)

De ARO vindt dat er voldoende aanleiding is om op deze locatie woningbouw te ontwikkelen. De commissie kan echter nog niet positief adviseren over het voorgestelde plan en de ruimtelijke randvoorwaarden. De oorspronkelijke uitgangspunten uit 2019, waarbij meer aandacht en ruimte was voor openbaar groen, komen niet of nauwelijks terug in de huidige opzet. Het programma voor deze ontwikkeling lijkt te zwaar om voldoende kwaliteit in de openbare ruimte te kunnen realiseren.

Het ‘erf’ aan de noordzijde past als typologie goed bij het bestaande lint, maar is wat betreft de omvang van de stolp en de schuren net te fors en een ruimtelijke omkadering/ begrenzing ontbreekt. Het parkeren dient in de herziening van het erf anders te worden opgelost. De bajonet in de ontsluiting past op zich bij de kenmerken van een boerenerf, maar er is bij deze entree van de wijk behoefte aan een stedenbouwkundige verbijzondering. Hier zou meer recht moeten worden gedaan aan de overgang tussen het erf en de woningen daarachter. De ARO stelt voor om hier ruimte te scheppen voor een strook ‘erfbeplanting’ en daarbij ook de ruimte tussen de schuren en het rijtje woningen te vergroten of het rijtje elders te positioneren, bijvoorbeeld op de kop aan de westzijde.

De commissie doet de suggestie om de gewenste (zichtbare) verdraaiing in de kavelrichting niet te zoeken in de achtertuinen van de woningen aan de oostzijde van het plan, maar deze in de voortuinen van deze woningen of in de openbare ruimte terug te laten komen. Langs de waterloop aan de zuidwestzijde zou (weer) een openbare groene oever moeten komen. Daarnaast stelt de ARO voor om de woningen aan de oostzijde een kwartslag te draaien en de openbare ruimte, die vrijkomt door het achterwege laten van de twee doodlopende zijwegen, langs de waterloop terug te laten komen en hier tevens een openbaar pad te realiseren.

De ARO begrijpt dat het een worsteling is om deze ontwikkeling financieel rond te krijgen en tegelijkertijd voldoende ruimtelijke kwaliteit in het plan aan te brengen, maar vraagt toch om de voorstellen die door de commissie zijn ingebracht in de verdere uitwerking mee te nemen. De commissie ziet het plan graag nog een keer terug als het verder is uitgewerkt.

Stand van zaken

Het plan is kort na de ARO-vergadering op een aantal punten aangepast. Zo hebben de stolp en schuren een kleinere footprint gekregen, is een windsingel aangebracht als scheiding van het erf en is er nu sprake van een gerende bebouwingslijn, zodat er meer ruimte is voor groen in de openbare ruimte. Het openbaar maken van de slootrand aan de zuidwestzijde en het draaien van de kavels aan de zuidoostzijde is uiteindelijk niet realistisch gebleken.

Vergelijking plan dat in de ARO aan de orde kwam (links) en het aangepaste plan (rechts) (Bron: Breen Stedenbouw, december 2020)

In de kern Medemblik lopen op dit moment inbreidingsplannen zoals Dek en Kop Nieuwstraat. Na oplevering van deze locaties zijn er geen inbreidingslocaties meer. De kern Medemblik is een van de vier grote kernen binnen de gemeente. In deze grote kernen wordt 70% van de nieuwbouwwoningen gebouwd.Het project is benoemd in de structuurvisie en gaat uit van de bouw van 200 woningen in dit gebied, waarvan 25% sociale huur, 25% kleinere koopwoningen en 50% 2/1 kap en vrijstaand en kavels. Ook heeft de regio ingestemd met de woningbouw. Dit project zorgt voor doorstroming en is geschikt voor iedereen, maar is met name geschikt voor gezinnen (met kinderen).

De locatie ligt buiten bestaand stedelijk gebied (BSG), net buiten de kern van Medemblik. De gronden waarop de woonwijk is voorzien, hebben in de huidige situatie een agrarische bestemming.

Planlocatie (Bron: Google Maps)

Stedenbouwkundige plan Molenblik (Bron: Vollmer&Partners, 19 oktober 2020)

 

ARO advies (28 oktober 2020)

De ARO is blij dat de commissie in een vroeg stadium van planontwikkeling wordt betrokken. Kijkend naar de huidige inrichtingsschets ziet de commissie positieve elementen, maar het plan verdient op meerdere punten aanscherping en verbetering.

Wat betreft de waterstructuur in de wijk, die op boezemniveau wordt gelegd, is de ARO positief. Om het water beter te benutten en een goed rondje te kunnen varen is het wenselijk dat er aan de noordwestzijde een tweede aansluiting op de boezem komt. Ook adviseert de commissie om langs de waterlopen natuurvriendelijke oevers aan te leggen, zodat er ecologische meerwaarde ontstaat. Wat betreft de begrenzing met het dijkje aan de west- en oostzijde is de ARO minder te spreken over de ‘bastions’. Dit zijn gebiedsvreemde elementen, die beter achterwege gelaten kunnen worden. De beplanting zou hier ook wat minder prominent en transparanter kunnen, zodat er meer (zicht)relatie met de aangrenzende open polder ontstaat. Het ‘erf’ zou wat sterker als erf moeten worden vormgegeven, inclusief een steviger erfbeplanting aan de buitenzijde. In het plan zou ook een wat grotere collectieve groene ruimte moeten komen, met meerwaarde voor de hele wijk. De ontsluitingsweg aan de noordwestzijde zou aantrekkelijker moeten worden ingericht, zodat hier een mooiere entree van de wijk ontstaat. Een mogelijk alternatief is een hoofdentree meer in het midden van de wijk, gekoppeld aan de zichtlijn op de oude molen. Hierdoor wordt het kwetsbare oevermilieu aan de noordzijde ontlast. Ook voor een eventuele tweede fase verdient een meer centrale ontsluiting de voorkeur.

Tenslotte merkt de ARO op dat in de huidige opzet ook op andere punten rekening gehouden zou moeten worden met een eventuele nieuwe woonwijk aan de westzijde, zeker in relatie tot de betekenis van het huidige dijkje. De vraag is hoe in de toekomst het beeld wordt als er tussen de provinciale weg en het dijkje een nieuwe woonwijk verrijst.

De ARO ziet het plan in een vervolgfase graag nog een keer terug.

Stand van zaken

Het plan is inmiddels op basis van het ARO-advies op vrijwel alle punten aangepast en verbeterd. Het aangepaste plan is opnieuw besproken in de ARO-vergadering van 30 maart 2021. De ARO was zeer positief over de aanpassingen en gaf nog een paar suggesties mee om het plan nog verder te verbeteren.

Vergelijking oude plan dat in oktober 2020 in de ARO werd behandeld (links) en aangepaste plan bij tweede behandeling in de ARO in maart 2021 (rechts) (Bron: Notitie 2e behandeling ARO Molenblik te Medemblik, Vollmer&Partners, gemeente Medemblik, BPD, Zeeman Vastgoed, 1 maart 2021)